De geboorte van de kerk

door Jessa van der Vaart
Op 10 december 2009 wandelde ik verwonderd door een tot de nok met mist gevulde Amsterdamse Noorderkerk. Af en toe lichtte de mist op, door sterke lampen die van buiten door de grote ramen schenen. Het zag er mysterieus uit: kroonluchters die tot in de hemel leken te reiken, schimmige gestalten, gedempte geluiden van gesprekken, een waterige geur… Wat was hier aan de hand? In het najaar van 2010 werd ik, met een aantal andere theologen en predikanten uit Amsterdam, gevraagd om mee te werken aan ‘The Extra Light Project’. Initiatiefnemer Saša Karalic, docent mixed-media aan de Rietveldacademie, wilde een project doen op het grensgebied van kunst en religie. Na een aantal voorbereidende gesprekken met theoloog en Trouw-columnist Jean-Jacques Suurmond (die later zijn uitgegeven in boekvorm onder de titel Becoming Christian: Conversations) bedacht hij een installatie die
‘iets met liturgie’ te maken had. En Karalic wilde dat kunstwerk niet, zoals gebruikelijk, achteraf laten analyseren en interpreteren door liefhebbers en kenners, maar juist vooraf. Zo werd ik gevraagd om deel te nemen aan een van de twee gespreksgroepen die zouden vooruitblikken op de installatie (de ‘Predictions’). De ene groep bestond grotendeels uit ‘beroepsgelovigen’ (theologen en predikanten) en de andere groep uit beeldend kunstenaars.

De gesprekken waren weerbarstig en verwarrend. Want hoe kun je een beeld
interpreteren dat je nog nooit hebt gezien? Zou het licht dat op 10 december door de ramen van de kerk zou schijnen iets te maken hebben met ‘goddelijke presentie’? Wie weet! Zou de mist een beeld kunnen zijn voor de ‘verdwijnende kerk’? Ja, maar hoe dan? Omdat de kerk door de zucht naar macht en zelfbehoud de kern van het evangelie is kwijtgeraakt? Of omdat de kerk juist hoopt dat zij als instituut uiteindelijk verdwijnt, zoals in Openbaring 21: 22 staat over het nieuwe Jeruzalem: “En een tempel zag ik in haar niet, want de Eeuwige, de Almachtige, is haar tempel…”
Na de groepsgesprekken ging ik op de avond van 10 december zonder hoge verwachtingen naar de Noorderkerk. Want hoe zou ik nu nog een oprechte betekenis kunnen vinden in mist en licht? En hoewel ik het niet verwachtte, ontdekte ik hem toch. Het gebeurde pas in de loop van de avond, toen de mist zo dik was geworden dat je alleen op een kleine afstand gezichten kon onderscheiden. Toen ontdekte ik ineens dat niemand alleen stond. Overal in de kerk waren groepjes mensen geanimeerd met elkaar aan het praten, kerkelijk of onkerkelijk, atheïstisch of gelovig, bekend of onbekend. Iedereen sprak elkaar met het grootste gemak aan, ook al had je de ander nog nooit gezien.
Terwijl alles wat aan de kerk als gebouw en instituut herinnerde door de mist wegviel: muren, kansels en banken, bleven alleen de mensen over.
Het deed me deze dagen denken aan het pinksterverhaal, waarvan ook wel gezegd wordt dat het gaat over de geboorte van de kerk. Je vraagt je soms af of dat iets is om te vieren als je naar de gewelddadige geschiedenis van het christendom kijkt. Geen wonder dat sommige theologen een onderscheid maken tussen de ‘zichtbare’ en de ‘onzichtbare kerk’. De zichtbare kerk is het instituut waar we voorlopig niet zonder kunnen en waarin we ook veel goeds vinden. Maar er is ook nog zoiets als de ‘onzichtbare kerk’ die niet per definitie met de bestaande kerk samenvalt. Die kan ook buiten de kerkmuren ‘gebeuren’. Dat is de kerk waarvan wij hopen dat hij komt en waar ik een ‘pinksterglimp’ van opving in een met mist gevulde Noorderkerk.
Mei 2010


