Land van belofte

door Jessa van der Vaart
Israël is het volk dat altijd onderweg is. Eindeloos lang trekken ze door de woestijn, met hun noden en hun God. Door honger en dorst, door ziekte en dood, nu eens geestdriftig, dan weer ontmoedigd en rebels.
Elke avond worden de tenten opgeslagen en elke morgen gaat het weer verder. Totdat op een goed moment de proef op de som komt, de vraag: waarom ben je dan weggetrokken van de vleespotten van Egypte, door de Schelfzee heen, jaren in de woestijn, levend van wat JHWH je te eten gaf: manna en kwakkels. Waartoe is dat alles geweest? Was er niet het ‘land van belofte’; het land van gerechtigheid en vrede, overvloeiende van melk en honing?
In Numeri 13 is dat land eindelijk in zicht. Mozes stuurt 12 verspieders erop uit om het land te verkennen. Ze komen terug met goed en met slecht nieuws. Het goede nieuws is: het land is inderdaad goed, zeer goed!
Als bewijs hebben de verspieders een druiventros meegenomen die zo groot is dat ze hem met twee man moeten dragen. En het slechte
nieuws is: je kunt er niet zomaar in. Er zijn tegenstanders en die kunnen we niet aan. Er zijn Enakskinderen, reuzen waar we niet omheen kunnen! Ze zijn te groot en te sterk! Als het gaat om ‘het land van belofte’ wordt vaak gedacht dat Mozes en zijn volk het in bezit zouden moeten nemen. Het aardige is echter dat dat woord niet gebruikt wordt. JHWH zegt tegen Mozes: “Stuur mannen erop uit. Zij zullen het land Kanäan verkennen; het land dat ik hen geef.” En even later zegt Kaleb: “Wij moeten zeker opgaan en het beërven.” Mozes en zijn volk zullen het land dus ontvangen van JHWH die eigenaar is en
blijft. Hen staat maar één ding te doen en dat is: vertrouwen. Niet vrezen voor de toekomst. Want dat is hun grootste vijand: hun eigen
angst. Ooit is Israël in beweging gezet door een verlangen naar vrijheid, naar ruimte, naar een plaats waar je tot je recht kunt komen.
Maar tegelijk is er de angst vanwege de onbekendheid van dat land. En dan gaat het zo: net als je denkt dat je alles hebt gehad: de uittocht, de woestijn, dan ontstaan er ineens Enakskinderen in je verbeelding, die steeds groter en steeds onoverwinnelijker worden, als reuzen zo groot. Ze staan tussen jou en de belofte van melk en honing, zodat de deur
naar de toekomst gesloten blijft. Zoals een bekend Nederlands spreekwoord zegt: Een mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest…
En dat is de angst die overwonnen moet worden. Geloven is: weggaan, opbreken, ongelovig worden tegenover reuzen, menseneters en beren op de weg. Niet langer geloven dat een ander leven onmogelijk is.
November 2009


