Flarden en fragmenten

door Stans Quené

Er zijn grote verschillen in de theologische ontwerpen die – in fragmentvorm – vanaf -+1950 ter tafel zijn gekomen. (De enige die, althans naar de vorm, een systematische theologie schreef was Paul Tillich) Ondanks deze verschillen is het mogelijk een zelfde intentie aan te geven: het gaat om een dialoog met de wereld, om het laten landen van waar het in geloof om gaat. De na-oorlogse theologen drijft een “concern for understanding” (Paul van Buren).

“In flarden hangt uw Woord om onze wereld heen” (Willem Barnard)
Vernieuwing in de theologie roept vragen op rond continuïteit en discontinuïteit. Aanvankelijk wordt gekozen voor continuïteit. Zo wordt in de “Systematic Theology” van Paul Tillich een zo dicht mogelijke aansluiting gezocht bij de traditie, die toch een herinterpretatie van het Evangelie niet in de weg staat (het zou nog even duren voordat werd teruggekomen van die reductie van de Schriften tot op “Evangelie”).
Bij de zogenaamde radicale theologen -we zijn dan in Amerika bij W. Hamilton en Th.J.J. Attizer- ligt het accent op discontinuïteit. Vernieuwing gaat daar gepaard met een kritiek op het theologisch “Establishment” dat in het verleden het monopolie bezat van de duiding van christelijk geloof.

Op de achtergrond van nieuwe inzichten staan (in de Angelsaksische wereld niet minder dan in Europa) de brieven die Dietrich Bonhoeffer in de Nazigevangenis schreef aan zijn vriend Eberhard Bethge. In deze brieven (posthuum uitgegeven onder de titel “Widerstand und Ergebung” – Ned. uitgave: “Verzet en overgave”) is Bonhoeffer tastend op weg naar wat hij noemt de “niet-religieuze interpretatie van bijbelse denkbeelden”. Waar tegen gaat het? Religie in de zin van Bonhoeffer, is het wereldontwerp waarin boven of achter deze werkelijkheid, die van aarde en geschiedenis, nog een andere werkelijkheid wordt gedacht, gezocht, vermoed, die de eigenlijke zou zijn. Religie is een levensontwerp , waarin het mij gaat en hoort te gaan om het eeuwig heil van de ziel, om veiligheid en geborgenheid. Religie is zo een uitweg uit de historische verantwoordelijkheid binnen een aardse horizon, een afwentelen van verantwoordelijkheid op God die er voor zorgen zal, dat alles komt zoals het komen moet.
De opdracht, de bijbel niet-religieus te interpreteren, is voor Bonhoeffer – en daarin wordt hij in de hele nieuwe theologie gevolgd – een historische opdracht. Zij hangt samen met een verandering in de manier waarop mensen zichzelf, niet religieus, verstaan. Trefwoorden: saecularisatie, democratisering, afbraak van hiërarchische structuren.

“Nieuw” is de ontkenning van “Gott im alten Sinne” (Rudolph Bultmann), van de God wiens woorden en daden in de klassieke dogmatiek tot een overzichtelijk systeem – waarin ook ‘mens’ en ‘wereld’ werden ondergebracht – konden worden geordend. Het systeem dat zo ontstond, het ‘wereldbeeld’ van de traditionele theologie, werd geschraagd door een hechte sociale infra-structuur. Het wegvallen van deze infra-structuur, het veelvoudig worden van de wereld (waarin ook derde en vierde wereld een gezicht zouden krijgen) betekent “Het einde van het conventionele Christendom” (Van de Pol).

Het betekent tegelijkertijd een mogelijkheid tot nieuw verstaan van wat geloof is. Dat nieuwe verstaan is vooral een nieuwe ‘praxis’, zonder dat uitzicht wordt geboden op een alomvattende levensbeschouwing. Bewegingen: Wendingkringen, Kerk en Vrede, Religieus Socialisme, Woodbrookers Barchem. Achteraf misschien te zien als voorlopers van Vrijburgkringen, De Rode Hoed (Amsterdam) en de VVP- Noord Holland.

In alweer bijna verouderde woorden (?) is ‘geloof’ een engagement voor een toekomst van meer stilte en zachtmoedigheid, gerechtigheid en vrede, zonder enigerlei garantie van een God, die alles doet naar zijnen lieven Wille.
Om gemeenschap is het Buber steeds gegaan. Ergens schrijft hij, maar ik weet niet meer waar (waarschijnlijk in “Ich und Du”) “Mit suchen ist es nicht zu finden” (Met zoeken laat het zich niet vinden). Wie zoekt gaat uit van zichzelf en van een al weten wat je zoekt, terwijl het Buber – en wellicht ook ons Vrijburgers- gaat om een aan mensen geschonken “Mitte” dat niet voortkomt uit eigen ontwerp; het laat zich verstaan vanuit de ethische situatie.

Naschrift:
Voor mij is de keuze een column te wijden aan Martin Buber geen willekeurige: ik schrijf precies één jaar na het overlijden van Prof. dr. J. Sperna Weiland. Samen met Prof. dr. M.A. Beek (ja, de vader van ‘Lenie’) schreef hij een mooi en toegankelijk boek over Martin Buber. Baarn, Wereldvenster, 1964.
Nog op Marktplaats verkrijgbaar.

gepubliceerd op 25 oktober 2012



Alle columns