Verwarring #400

door Vrijzinnige Miniaturen

AFLEVERING 400 !

Foto: Blake Wisz, Pexels

Miniatuur 400

Geschreven door Jos Dobber
Voorgelezen door Gert van Drimmelen
Geluidsmontage Seth Mook
Thema: Vrijheid en verdraagzaamheid
6 oktober 2026
Titel: Verwarring

 

Verwarring / Verantwoordelijkheid en moraliteit

Enige tijd geleden liep ik in Haarlem op de stoep van het Prinsen Bolwerk, toen ik achter mij een fietsbel hoorde. Het was een meisje op een zwarte oma-fiets. Zestien, misschien zeventien jaar.
“Dit is de stoep,” zei ik, en wees links naast me: “daar is het fietspad.”
Ze reageerde snel, terwijl ze me passeerde: “Wat jij wil ouwe”, en reed verder over de stoep.
Had dit meisje de vrijheid op de stoep te fietsen, terwijl er alle ruimte was op het fietspad naast de stoep, en moest ik dit zonder me eraan te ergeren verdragen?
“Wat jij wil ouwe.”
Het is natuurlijk ‘Wat jij wilt’, tweede persoon enkelvoud, stam plus t. Al valt daar met recht tegenin te brengen dat ‘jij wil’ inmiddels zozeer ingeburgerd is, dat dit tot de geaccepteerde spreektaal behoort. Dus ook op dit terrein moet ik verdraagzaam zijn.
Maar dan het woord ‘ouwe’, met een zekere minachtende ondertoon. Verdient dat geen weerwoord?
Ach, waar hebben we het over?

Vrijheid is een privilege; verdraagzaamheid is een welwillende neiging of denkwijze, leer ik uit mijn in 1975 gedrukte Koenen-woordenboek. Geen van beide is echter onbegrensd, iedereen kent wel situaties waarin individuele vrijheid grenzen overschrijdt en waarin verdraagzaamheid ongepast of zelfs ongewenst is. Met andere woorden: vrijheid en verdraagzaamheid zijn steeds verbonden met verantwoordelijkheid en moraliteit.

Vorige week kampeerden we vier dagen op een kleine camping in de Zuid-Hollandse natuur. Voor ons voelt dat als de ultieme vrijheid. Rust en ruimte, natuur overal rondom, het leven speelt zich buiten af. De campingeigenaar liep met ons mee om onze kampleerplaats aan te wijzen. Hij vertelde over een man met psychische problemen die op verzoek van de gemeente drie maanden op de camping had gewoond. ’s Nachts zorgde deze man voor overlast doordat hij schreeuwend rondliep. We waren inmiddels bij onze kampeerplaats en hij wees naar onze overburen, vijf meter verder.
“Ze zijn eindelijk aan het opruimen, ik ga ze maar even helpen. Hier heeft een man een jaar in een caravan gewoond. Hij zou voor drie maanden komen, maar heeft pas vorige week een appartement gekregen. Zoals je ziet was hij niet zo goed in opruimen. En oh ja, morgen komt er een vrouw met een kind. Ze is uit huis gezet en de gemeente was ten einde raad, ze konden haar nergens plaatsen. Dus ik heb maar ja gezegd.”

Haar vader bracht de caravan en zette de voortent op. De moeder stelde zich, en haar kind van anderhalf, aan ons voor. Ze vertelde meteen haar verhaal. Huisuitzetting, dakloos, Jeugdzorg, een hele geschiedenis van problemen. Problemen die de dagen erna steeds groter in aantal en omvang bleken te zijn. Net als haar zorgen over haar kind. Acuut omdat er open water op 15 meter afstand was, en voor de toekomst omdat leven in een caravan geen goede omgeving voor een kind van anderhalf is, zoals Jeugdzorg volgens haar ongetwijfeld zou constateren.
Nee, ze schreeuwde niet. Niet letterlijk tenminste. Maar we moesten inschikken. Luisteren naar haar verhalen, een oogje houden op het rondscharrelende kind. Het was geen vraag, we moesten wel. We stonden immers recht tegenover haar.

gepubliceerd op 6 oktober 2026



Alle columns