De Zeven Hoofdzonden, Hoogmoed- #240

door Vrijzinnige Miniaturen

Hoogmoed, Jeanot Bürgi, lantaarnpaal aan de Drift in Utrecht

Geschreven door Joost Röselaers
Voorgelezen door Gert van Drimmelen
Geluidsmontage Seth Mook
Thema: De Zeven Hoofdzonden, Hoogmoed

.
Hoogmoed loopt, wiegelwaggelend
Zigzagsgewijs, opgeblazen en wel.
Hoogmoed is lang een el en een kwart zowat,
Muts op z’n kop van wel twee meter hoog.
Heel zijn pens staat stijf van de parelen,
Eén en al goud is zijn achterste.
Hoogmoed had stellig vader, moeder opgezocht,
Maar de poort is verveloos!
En hij zou wel bidden in Gods heiligdom,
Maar de vloer is niet aangeveegd!
Hoogmoed gaat, ziet: aan de hemel een regenboog;
Hoogmoed slaat gauw een andere richting in:
Mij een buiging zien maken? Dat zou niet passend zijn!

Hoogmoed, van A.K.Tolstoj
.

Je ziet hoogmoed voor je, in dit gedicht. Het doet meteen denken aan het type man dat gaat stralen zodra hij in zijn geweldige auto stapt. Aan het type mensen, dat niet anders dan succesverhalen te vertellen heeft. Allerlei associaties roept het gedicht in je op. Aan mensen, die je eigenlijk wel een beetje irriteren. Misschien heeft het je daarom wel plezier gedaan, dat hun houding zo even mooi te kijk werd gezet. En heb je van binnen gelachen om hun gewiegelwaggel, hun gouden achterste, en hun onvermogen om te buigen. Maar zo gemakkelijk kom je er toch niet vanaf. De dichter wil je ook om jezelf laten lachen. Het is alleen niet zo gemakkelijk om jezelf te herkennen, in de manier waarop hoogmoed zich voordoet. Omdat hij er van buiten heel anders uit ziet, dan van binnen. Van binnen is hij klein. Onzeker, over zichzelf. En ontevreden, met zichzelf. Hoogmoed lijkt heel wat, maar dat is schijn. Hij heeft een muts van twee meter hoog. In zijn hart is hij maar anderhalve el. Zo van binnen uit, herken je misschien wel iets van hoogmoed in jezelf. Als de verschijningsvorm, de verpakking, van innerlijke onzekerheid of ontevredenheid. Een klein, maar sprekend voorbeeld. Een vrouw vertelde mij van een onverwachte ontmoeting, die ze pas geleden had gehad. Zij was op een congres iemand tegengekomen, met wie ze vijfentwintig jaar geleden in de collegebanken had gezeten. Destijds had ze een hekel aan haar. Ze herinnerde zich, hoe ze altijd met haar vertrouwelingen sprak, over deze studiegenoot. Wat had zij zich weer irritant gedragen. Altijd moest zij alle aandacht op zich vestigen. Overal wilde zij het middelpunt zijn. Bij hun laatste ontmoeting kon zij niets ergerniswekkends meer aan de vrouw bespeuren. Zij hadden fijn gepraat. Bleken dezelfde belangstelling te hebben, op hun vakgebied. Terugkijkend, vroeg ze zich af, waarom zij het destijds zo nodig had gehad, deze studiegenoot omlaag te praten, en zichzelf zo hoogmoedig in woorden boven haar te verheffen. En dacht, dat het kwam doordat die ander op dat moment net iets verder was dan zij. Zelfbewuster was, steviger. En haar daardoor onzeker maakte over zichzelf, ontevreden met zichzelf… Wie zich lager voelt, krijgt onbewust de neiging zich hoger te plaatsen. Dat kan door de ander een kopje kleiner te maken: over hem te oordelen, op hem neer te kijken, hem over het hoofd te zien, je voor hem af te sluiten. Of door jezelf omhoog te steken: de aandacht naar jezelf toe te trekken, ruimte op te eisen, jezelf op te tuigen, zichtbaar te maken.

Nederigheid was één van de zeven deugden, die tegenover hoogmoed stond. Het is een mooi woord. Alleen is het vaak verkeerd uitgelegd. Alsof het gaat, om jezelf wegcijferen. Uitpoetsen. Onzichtbaar maken. Maar dat zou toch ook zonde zijn? Zonde van jou. Van wie je bent. Zo schiet je weer door naar de andere kant. Terwijl het er juist om gaat, het juiste midden te vinden. Jezelf niet te onderschatten, maar ook niet te overschatten. Jezelf niet op te blazen, maar ook niet te kleineren… Een joodse rabbi was daarom de mening toegedaan dat een mens twee briefjes bij zich hoort te hebben, in elk van zijn jaszakken één. Op het éne briefje zou moeten staan: ’Je bent slechts stof’. En op het andere: ’Gods Geest ademt in je’. En als gebruiksaanwijzing voegde hij toe: ’Telkens wanneer hoogmoed je te pakken krijgt en je opstijgt als een adelaar, terwijl je toch op de aarde wandelt, haal dan snel het briefje tevoorschijn waarop staat waar je vandaan komt. Telkens echter wanneer je in het stof wordt gedrukt en je eronder lijdt dat je jezelf zo nederig en zo schuldig ziet, bekijk dan die andere zin, waarin je hoge roeping wordt verwoord’.

gepubliceerd op 20 september 2022



Alle columns